UITDAGINGEN VAN DE CREATIEVE INDUSTRIE
‘De 19e-eeuwse schilder Alma Tadema zei: ‘Zolang ik schilder, ben ik kunstenaar. Als het af is, ben ik zakenman’.
Kunst en commercie, podium en publiek zijn geen gescheiden werelden. Archieven en theaters, concertzalen en musea verlenen diensten aan publiek. Zij vervullen een belangrijke rol in de maatschappij. Sinds de jaren zestig is de cultuursector steeds meer op de overheid gericht geraakt. De overheid heeft het particulier initiatief niet zozeer aangevuld, maar overgenomen. In de driehoek overheid-cultuur-publiek is te veel bedrijvigheid op de lijn overheid-cultuur en te weinig op de lijn cultuur-publiek. We staan voor een omslag. Ik wil meer ruimte geven aan de samenleving en aan particulier initiatief. Een gezonde cultuursector is zo min mogelijk afhankelijk van de overheid’. Aldus Halbe Zijlstra, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, op 6 december 2010.¹
Nederland begeeft zich op cultureel gebied de laatste tijd in woelig vaarwater. Doordat de overheid decennia lang een groot aandeel heeft gehad in financiering van de sector, is de culturele industrie zeer afhankelijk geworden van de subsidies. En door de aanhoudende economische crisis zijn de plannen van het nieuwe kabinet om op cultureel gebied veel te bezuinigen creatievelingen een doorn in het oog. Een van de meest recente protestacties tegen de verhoging van BTW op de podiumkunst (concert- en festivalkaartjes) was een overwinning van korte duur en bleek niet meer te zijn dan een halfjaar uitstel van executie. De belastingen gaan toch wel omhoog, van zes naar negentien procent.
Het is jammer dat ik de afgelopen tien jaar niet voldoende kennis heb genomen van politiek beleid en besluitvorming. Maar bij ieder nieuw kabinet of bij iedere nieuwe wetswijziging lijkt het volk altijd de pineut en de overheid de boeman die er met de centen van het volk vandoor gaat. Alles wordt duurder en de bezuinigingen op de cultuursector gaan het daarom voor de burger opnieuw niet goedkoper maken. Maar dat er bezuinigd moet worden is een gegeven waar niet aan ontkomen kan worden. Zo ook de creatieve sector niet.
Door de eerdergenoemde protesten die eind november onder het motto ‘Nederland schreeuwt om Cultuur’ plaatsvonden, gaven een eenzijdig beeld waardoor leek dat politiek Den Haag geen cent meer wilde steken in behoud, ontwikkeling of diversiteit van onze kunst en cultuur. Een onterecht beeld omdat onder andere ontwikkeling en ontdekking van nieuw talent én het cultureel erfgoed nog voor de volle honderd procent op steun van de overheid kunnen rekenen. Ook bibliotheken, musea, muziek- en kunstinstellingen, uitgaanslocaties en festivalorganisaties zullen niet van de ene op de andere dag in de kou komen te staan. Maar de subsidieverstrekking wordt aan banden gelegd en zal kritischer worden beoordeeld op onder andere belangrijke punten als bezoekersaantallen, een eerlijke verhouding tussen eigen inkomsten uit ondernemerschap en subsidies van de overheid en toegankelijkheid voor kinderen en jongeren. Niet om te pesten, maar omdat het moet!
De sector wordt gevraagd creatief om te gaan met de aangekondigde bezuinigingen en naar gepaste oplossingen te zoeken. Een lagere subsidie van de overheid hoeft daarom dus niet direct een stijging in entreekaarten te betekenen. Maar door bijvoorbeeld een lidmaatschap aan te bieden voor een substantieel bedrag, kan de instelling aantrekkelijke voorwaarden en privileges geven aan hen die de club graag supporten. Zo is het International Film Festival Rotterdam (IFFR) dit jaar begonnen met een festivalkaart die voor vijfentwintig euro gekocht kan worden. Eenmaal in bezit van deze kaart krijgt de eigenaar recht om een dag voor de reguliere kaartverkoop al tickets te reserveren. Een zeer aantrekkelijk aanbod voor liefhebbers van het IFFR, een financiële impuls voor de organisatie om bezuinigingen te overzien en het perfecte voorbeeld van wat Halbe Zijlstra graag stimuleert.
Op wandelafstand van waar het IFFR-comitee huishoudt, staat het inmiddels leegstaande pand van Rotterdams voormalig uitgaansoogappeltje WATT. Dat wat hét nieuwe poppodium van Rotterdam had moeten worden, hield het ondanks de hoge verwachtingen nog geen twee jaar vol. Met een schuld van 1,8 miljoen euro werd de boel vlak voor de zomer van 2010 dichtgetimmerd. Wat dat betreft is WATT het voorbeeld van een zinkend schip dat buiten de gemeentelijke haven om niet voldoende kon rekenen op mankracht of financiële hulp van buitenaf. Enkel en alleen de demonstratie ‘WATT moet blijven!’ bleek niet voldoende. Ondanks de steun van jongeren uit de Maasstreek en de grote opkomst bij de demonstratie om de club te behouden, is het begrijpelijk dat een uitgaansgelegenheid niet financieel afhankelijk mag zijn van enkel lokale subsidie.
Dat de gemeente Rotterdam daarom na ruim anderhalf jaar gesteggel de geldstekker uit de draaitafels trok is hartstikke zonde, maar niet meer dan rechtvaardig. Investeerders, adverteerders, belanghebbenden en fans of vaste gasten moeten in soortgelijke situaties samenkomen en een blok vormen om mede zorg te dragen voor de financiële situatie van hun instelling, stichting, club of uitgaansgelegenheid. Zoals die van het Amsterdamse Paradiso of ’t Paard van Troje in Den Haag. Een blok van terugkerend publiek en een solide naamsbekendheid welke van groot belang is voor continue populariteit. Een blok dat creatief omgaat met het genereren van extra inkomstenwerving, welke zo succesvol is dat men het hoofd zonder problemen boven het water weet te houden.
De vergelijkbare bezuinigingssituatie die de overheid de komende drie jaar in werking gaat stellen krijgt daarom mijn steun. Zowel omdat bezuinigen in elke sector plaats gaan vinden, dus ook in de creatieve sector, alsmede door de te grote mate waarin onze cultuurinstellingen afhankelijk zijn geworden van subsidie. Laten we in plaats van klagen daarom protesteren. Een pro-protest onder het mom ‘Nederland geeft om Cultuur’!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten